Een andere aanpak voor het detecteren en melden van ongebruikelijke en verdachte transacties is broodnodig

29 oktober 2017

 

In oktober 2017 is een rapport gepubliceerd waarin de efficiency, effectiviteit en proportionaliteit van de AML/CFT meldsystemen aan de orde is gesteld. In dit rapport “The Role of Financial Information-Sharing Partnerships in the Disruption of Crime” van Nick Maxwell en David Artingstall staat dat uit workshops en interviews kwam dat 80-90% van aan FIU gemelde transacties niet direct van waarde zijn voor opsporingsonderzoeken en dat 85-95% van de ondervraagden van mening was dat het huidige framework om transacties bij FIU’s te melden niet leidt tot effectieve detectie en ondermijning van criminaliteit. Ook uit het recente Europol rapport “From Suspicion to Action – Converting Financial Intelligence into Greater Operational Impact” kwam dat slechts tien procent van de aan FIU’s gemelde transacties verder onderzocht wordt. Deze percentages zijn niet bemoedigend. De huidige meldsystemen in vele landen leveren helaas niet het gewenste resultaat op. Een andere aanpak van het meldsysteem is dus nodig en kwalitatief betere meldingen spelen daar een cruciale rol in. 

De oplossing is volgens mij tweeledig. Aan de ene kant moeten de transactiemonitoringssystemen van instellingen verbeterd worden, en aan de andere kant is concrete informatievoorziening van opsporing aan de meldende instellingen nodig.

Instellingen zouden slimmere transactiemonitoringssystemen moeten ontwikkelen en gebruiken. Veel instellingen gebruiken systemen met statische business rules en scenario’s die zelden of nooit aangepast worden. Deze rules en scenario’s leveren dagelijks vele alerts op die onderzocht moeten worden. Vele van deze alerts zijn echter false positives. Dus transacties waar niets mee aan de hand is. Maar om alle alerts te onderzoeken zijn er wel veel medewerkers nodig. Heel veel.

Door het gebruik van artificial intelligence, big data, predictive analytics kunnen betere alerts en daarmee ook betere meldingen gegenereerd worden. In de DNB guidance “Post-event transactiemonitoringsproces bij banken” moedigt DNB banken aan om geavanceerde data-analyse en artificial intelligence in te zetten bij de uitvoering van de transactiemonitoring. Gezien de hoeveelheid transacties die gemonitord moeten worden en de verbetering in kwaliteit die nodig is, zou ik die aanmoediging wel stelliger willen zien. Zonder systemen die met geavanceerde data-analyse werken, wordt het voor de meeste instellingen een enorme uitdaging om de grote aantallen transacties op efficiënte en effectieve wijze te monitoren.

Een ander punt is dat in vele landen toezichthouders vaak kijken naar het aantal gemelde transacties en aan de hand daarvan beoordelen of instellingen adequaat aan de meldplicht voldoen. Ook in de FATF evaluaties van landen spelen de FIU-statistieken omtrent gemelde transacties een belangrijke rol. Vrees van instellingen om niet die transacties te melden waarvan hun toezichthouder zou vinden dat deze ongebruikelijk of verdacht zijn, kan leiden tot zogeheten ‘over-reporting’ of ‘defensive reporting’. En dus worden er vele transacties bij FIU’s gemeld waar de opsporing niet op zit te wachten. Dit is jammer omdat het zou moeten gaan om kwaliteit boven kwantiteit. Het adagium ‘less is more’ gaat ook hier op.

Hoewel de meeste instellingen hun verantwoordelijkheid in het meldproces serieus nemen, ontbreekt het nog weleens aan de benodigde kennis en informatie om kwalitatief goede meldingen te doen. Medewerkers hebben niet altijd die informatie die nodig is om een goed onderzoek te doen. Met specifieke, gerichte informatie van bijvoorbeeld opsporingsautoriteiten zouden die transacties onderzocht en gemeld kunnen worden waar de opsporing echt behoefte aan heeft. Naast slimmere transactiemonitoringssystemen zit een oplossing ook in het uitwisselen van informatie tussen opsporing en private partijen.

Maxwell en Artingstall hebben voor hun rapport een aantal ‘public–private financial information-sharing partnerships’ onderzocht. Deze aanpak kan effectiever zijn om financieel-economische criminaliteit aan te pakken. Ook in Nederland bestaat een dergelijke publiek-private samenwerking. In juli 2017 is het “Convenant Pilot Samenwerking Bestrijding Terrorismefinanciering” gepubliceerd. Deze samenwerking heeft tot doel informatiedeling tussen een aantal grootbanken, de FIU-NL en de opsporingsautoriteiten mogelijk te maken om zo terrorismefinanciering te voorkomen en op te sporen. De resultaten van deze samenwerking zijn niet bekend en worden wellicht nooit bekend, maar het is wel een welkome ontwikkeling in het efficiënter en effectiever maken van het meldsysteem. Hopelijk smaakt het naar meer voor de samenwerkende partners en starten er meer initiatieven om instellingen van informatie te voorzien om financieel-economische criminaliteit te bestrijden.

Maud Bökkerink

Geef uw mening

Your email address will not be published. Required fields are marked *