Hoe zit dat ook alweer met de beroepseed voor de financiële sector?

01 december 2021
Kennisbank

Zoals bekend houdt De Nederlandsche Bank (DNB) toezicht op de naleving van de beroepseed in de financiële sector. In dat kader is onderzoek verricht bij banken, verzekeraars en betaalinstellingen, met als uitkomst dat de beroepseed weliswaar serieus genomen wordt, maar dat kan explicieter terugkomen na de eedaflegging. De toezichthouder heeft onderzoek gedaan naar hoe financiële instellingen omgaan met het afleggen en inbedden van de beroepseed. Er wordt veel aandacht aan besteden bij indiensttreding van medewerkers. Daarna komt de eed echter weinig expliciet terug. Wel doen instellingen er veel aan om de principes uit de eed in hun eigen cultuurinitiatieven te verweven, al gebeurt dat veelal impliciet. DNB gaat eind maart 2022 via een ronde tafel het gesprek aan met de sector over de resultaten van het onderzoek.

Sinds 2015 is de beroepseed voor financiële instellingen verankerd in de Wet Financieel Toezicht. Voor medewerkers van banken geldt daarnaast een tuchtrechtelijk regime dat gekoppeld is aan de principes uit de beroepseed. DNB heeft de wettelijke taak om toe te zien op de naleving van de beroepseed bij instellingen die onder haar toezicht vallen. In 2016 heeft DNB – kort na de invoering van de eed – een survey gehouden onder een selectie banken en verzekeraars. Daaruit bleek dat de bevraagde instellingen het afleggen van de eed aan een betekenisvolle ceremonie koppelden. Ook gaven zij aan op termijn de eed in hun eigen cultuurinitiatieven te integreren. Hoe dat er precies uit zou zien was op dat moment nog niet duidelijk.

Het in 2021 gehouden onderzoek bouwt voort op het onderzoek uit 2016, maar is uitgebreider. Naast banken en verzekeraars zijn ook betaalinstellingen bevraagd door middel van een survey. Bovendien gingen de vragen niet alleen over het afleggen van de eed, maar ook over de inbedding van de principes uit de eed in de bedrijfsvoering, de omgang met het tuchtrecht, en wat instellingen doen om de eed levend te houden. De uitkomsten zetten aan tot nadenken over hoe de eed – na de initiële aflegging – nog meer kan worden ingezet. Voor een meerderheid van medewerkers van banken en verzekeraars is het inmiddels al langer dan vijf jaar geleden dat zij de eed hebben afgelegd. Het afleggen van de eed wordt vastgelegd in HR-systemen, maar wordt over het algemeen niet gekoppeld aan een tastbaar ‘aandenken’.

De kwaliteit van managementinformatie over de beroepseed  verschilt nogal,  wisselt – niet alle instellingen konden bijvoorbeeld even eenvoudig inzicht bieden in hoeveel medewerkers in een bepaald jaar de eed hebben afgelegd. In bijna alle gevallen wordt de eed – na de ceremoniële aflegging – niet meer expliciet ingezet als instrument waarmee op gedrag kan worden gestuurd. Wel worden de principes uit de eed – zij het impliciet – in lopende cultuurinitiatieven en -maatregelen opgenomen, zoals “codes of conduct” en trainingen. De meeste banken gebruiken uitspraken van Tuchtrecht Banken om ervan te leren, maar slechts de minderheid geeft aan dit stelselmatig te doen.

Plaats uw reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *