De rechtbank Amsterdam heeft in een tussenbeslissing geoordeeld dat het verschoningsrecht van een notaris in een strafzaak over mogelijke Wwft-overtredingen en witwassen kan worden doorbroken als sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Tegelijkertijd benadrukt de rechtbank dat zo’n inbreuk niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk. Daarom moet eerst nader worden onderzocht of in de in beslag genomen digitale gegevens ook informatie voorkomt van cliënten die niets met de strafzaak te maken hebben, en of die gegevens kunnen worden uitgefilterd.
De zaak draait om een voormalig notaris en diens kantoor, die worden verdacht van het structureel niet melden van ongebruikelijke transacties aan de Financial Intelligence Unit (FIU) en van het faciliteren van witwassen. Volgens het Openbaar Ministerie gaat het om honderden verdachte transacties over een langere periode, waarbij onder meer sprake zou zijn van opvallende ABC-transacties, afwijkende financieringsconstructies en betrokkenheid van personen met criminele antecedenten.
De rechtbank acht die verdenking ernstig genoeg om te oordelen dat het maatschappelijk belang van waarheidsvinding in dit geval zwaarder kan wegen dan het verschoningsrecht. Daarbij speelt mee dat juist notarissen een belangrijke poortwachtersfunctie vervullen binnen het financiële stelsel. Als die positie bewust en structureel zou zijn misbruikt, raakt dat volgens de rechtbank de kern van het ambt en het vertrouwen dat de samenleving daarin moet kunnen stellen.
Toch betekent dit niet dat opsporingsinstanties zonder meer toegang krijgen tot alle aangetroffen gegevens. De rechtbank maakt duidelijk dat ook bij een gerechtvaardigde doorbreking van het verschoningsrecht zorgvuldig moet worden gekeken naar de belangen van andere cliënten. De verdediging had aangevoerd dat in de digitale dossiers ook documenten voorkomen over derden die geen enkele relatie hebben met de strafzaak, zoals stukken over erfrechtelijke en familierechtelijke kwesties. Volgens de rechtbank moet daarom nader worden onderzocht of zulke gegevens zich inderdaad tussen de geselecteerde bestanden bevinden en of zij eruit kunnen worden gefilterd.
Daarmee onderstreept de uitspraak dat proportionaliteit bij digitaal beslag zwaar weegt, zeker wanneer het gaat om gegevens die onder een geheimhoudingsregime vallen. Informatie van niet-betrokken derden mag niet onnodig in handen van justitie komen. De rechtbank heeft de behandeling van het beklag daarom heropend en de rechter-commissaris opgedragen om, in overleg met de verdediging, een nadere filtering te laten plaatsvinden.
Voor de praktijk is deze uitspraak relevant omdat zij laat zien dat de rechter streng kan oordelen over de poortwachtersrol van notarissen bij vermoedelijke Wwft-schendingen, maar tegelijkertijd hoge eisen blijft stellen aan de manier waarop vertrouwelijke cliëntgegevens in strafrechtelijk onderzoek worden behandeld. De beslissing laat daarmee zien dat waarheidsvinding en geheimhouding niet als absolute tegenpolen worden gezien, maar in concrete gevallen zorgvuldig tegen elkaar moeten worden afgewogen.
Lees hier de volledige uitspraak

