Deze zaak (ECLI:NL:HR:2026:392) draait om de vraag of creditcardmaatschappij ICS de creditcardovereenkomst met een kaarthoudster mocht beëindigen omdat zij weigerde mee te werken aan een nieuwe online identificatie. ICS verlangde op grond van de Wwft dat de kaarthoudster een foto van haar identiteitsbewijs en een selfie zou uploaden. De kaarthoudster had daar principiële privacybezwaren tegen, vooral tegen het opslaan van haar pasfoto en selfie.
De Hoge Raad onderscheidt twee hoofdvragen. De eerste is of het opslaan van een pasfoto of selfie moet worden gezien als verwerking van biometrische gegevens in de zin van art. 9 AVG. De Hoge Raad oordeelt daarover voorlopig duidelijk: het enkele vastleggen of bewaren van een foto is nog geen verwerking van biometrische gegevens. Daarvoor is nodig dat de foto met specifieke technische middelen wordt verwerkt om unieke identificatie mogelijk te maken of te bevestigen, bijvoorbeeld via gezichtsherkenning die een biometrisch profiel of template maakt. Een gewone opgeslagen foto is dus niet zelf zonder meer een biometrisch gegeven. Op dit punt laat de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand.
De tweede hoofdvraag is ingewikkelder en betreft de verhouding tussen de Wwft en de AVG. ICS stelde dat zij op grond van de Wwft verplicht was de voor identificatie gebruikte gegevens, waaronder een kopie van het identiteitsbewijs met pasfoto, te bewaren. De Hoge Raad constateert echter dat hierover redelijke twijfel bestaat. Art. 33 Wwft kan namelijk op verschillende manieren worden uitgelegd. Mogelijk hoeft een instelling slechts bepaalde identificerende gegevens vast te leggen, en is het bewaren van een volledige kopie van het identiteitsbewijs slechts een optie. Maar ook denkbaar is dat de wet wel degelijk ruimte laat voor, of zelfs verplicht tot, het bewaren van een volledige kopie, inclusief pasfoto.
Die onzekerheid is van belang omdat de AVG eist dat persoonsgegevens alleen worden verwerkt voor zover dat noodzakelijk en proportioneel is. De Hoge Raad vraagt zich daarom af of een eventuele wettelijke bewaarplicht voor een volledige kopie van een identiteitsbewijs wel verenigbaar is met het beginsel van minimale gegevensverwerking. Ook merkt de Hoge Raad op dat een foto mogelijk informatie kan bevatten over ras of etnische afkomst, wat onder art. 9 AVG als bijzonder persoonsgegeven extra bescherming geniet.
Omdat over deze vragen geen duidelijk antwoord volgt uit bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU, kondigt de Hoge Raad aan prejudiciële vragen te stellen. Het gaat onder meer om de vraag of de vierde anti-witwasrichtlijn lidstaten verplicht tot het bewaren van een afschrift van het gebruikte identiteitsbewijs, of dat ook de pasfoto omvat, en onder welke voorwaarden foto’s kunnen gelden als gegevens waaruit ras of etnische afkomst blijkt.
Het arrest is dus een tussenarrest. De Hoge Raad beslist nog niet definitief of ICS de overeenkomst mocht beëindigen, maar zet eerst de Europese uitlegvragen uit. Daarmee is deze uitspraak vooral van belang voor de wisselwerking tussen Wwft-verplichtingen, privacyrecht en de grenzen aan het bewaren van identiteitsdocumenten door financiële instellingen.

