Caroline Raat

Caroline Raat

Onafhankelijke auteur, onderzoeker en opleider op het gebied van bestuursrecht

Kafka in de vishaven

01 maart 2021

In mijn ervaring leidt maar weinig tot zo veel onbegrip bij ‘gewone burgers’ als het belanghebbendebegrip. De manier waarop mensen die in hun eigen ogen toch echt betrokken zijn bij een overheidsbesluit soms koud worden afgeserveerd als niet-ontvankelijk, omdat zij geen belanghebbende zijn als bedoeld in art. 1:2 van de Awb, roept bij hen ergenis op. Het kan heel goed zijn dat zij inhoudelijk alle gelijk van de wereld hebben, maar het niet krijgen omdat zij niet mee mogen doen met het spelletje dat bestuursprocesrecht heet. Dat komt de volledige rechtmatigheids- en doelmatigheidstoets in de bezwaarfase niet altijd ten goede. Die is immers gebaat bij het vergaren van zo veel mogelijk informatie en argumenten, en dus van het betrekken van zo veel mogelijk bronnen. In veel gevallen, die ik ook met droge ogen kan uitleggen, is er een goede reden om niet iedereen toe te laten tot gerechtelijke procedures. Het moet wel ergens ophouden met de belanghebbendheid om niet in een voortdurende rechtsgang van allen tegen allen te geraken. Maar in sommige gevallen valt er veel voor te zeggen om in de voorbereidings- en bezwaarfase bij het bestuursorgaan in elk geval het standpunt van de betrokkenen serieus te nemen en daar ook inhoudelijk op te reageren.

Deze maand speelde deze zaak bij de rechtbank Rotterdam. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, afgekort  NVWA, besloot in 2018 een partij diepgevroren tonijn die in het bezit was van twee vishandelaren in officiële inbewaringneming te plaatsen. Vervolgens legde de Minister voor Medische Zorg aan deze handelaren een bestuurlijke boete op omdat koolmonoxide aan de tonijn zou zijn toegevoegd. Dit is een manier om de tonijn verse uitstraling te laten behouden en bederf te maskeren. Binnen de vishandel wordt dit als fraude aangemerkt. De leverancier van de betreffende partijen tonijn, het visverwerkende bedrijf (de producent), voelde zich aangesproken omdat de beweerde toevoeging door hem zou zijn gedaan. Om deze reden tekende ook hij bezwaar aan tegen beide besluiten. Zowel de handelaren als hij stelden dat het koolmonoxide gehalte te maken had met het rookproces, en dat er dus geen sprake was van ongeoorloofde toevoegingen.

De NVWA en de minister (verweerders) verklaarden de bezwaren van de producent niet-ontvankelijk, omdat hij niet als belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb kon worden aangemerkt. Zij vonden dat de belanghebbendheid niet kan worden aangenomen, omdat de producent de leverancier was en er slechts sprake was van een louter contractueel (afgeleid) belang. Dat de tonijn niet voldeed aan de wettelijke vereisten betekende volgens verweerders niet zonder meer dat alle door de producent geproduceerde tonijn niet aan de wettelijke eisen voldeed. De inbewaringneming had bij voorbaat geen directe invloed op de afzet van zijn producten, zodat de inbewaringneming hem niet in zijn zakelijk recht raakte. Ook zou de reputatieschade als gevolg van de inbewaringneming niet zijn gemotiveerd.

De rechtbank overwoog dat de producent wel belanghebbende was bij de bestreden besluiten omdat het toevoegen van koolmonoxide als fraude wordt gezien.  Er was een reële mogelijkheid dat het besluit de producent in een aan het fundamentele recht ontleend belang op bescherming van de eer en goede naam zou kunnen schaden, ter bescherming waarvan toegang tot de bestuursrechter hem niet kon worden onthouden.

De meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam vond dat verweerders wel erg gemakkelijk hadden geoordeeld dat degene die feitelijk – ook volgens de rechtbank – de fraude had gepleegd, maar die om welke reden dan ook niet was beboet hiervoor, in de procedure niets te zoeken had. Het besluit ging over zijn gedrag (het toevoegen van CO aan tonijn, wat verboden is), zijn reputatie in het betrekkelijk kleine visserij- en vishandelwereldje was in het geding. Dit zou gevolgen kunnen hebben voor zijn business. Daarom was de producent belanghebbende in de zin van art. 1:2, eerste lid, van de Awb. De rechtbank verwees naar een aantal Afdelingsuitspraken, maar uiteraard had er ook verwezen kunnen worden naar de Conclusie van advocaat-generaal Van Widdershoven d.d. 7 november 2018 over de toepassing van het leerstuk van afgeleid belang.

De rechtbank heeft in dit geval beoordeeld dat de producent door de inbeslagname en de boete gericht aan zijn klanten ook zijn eigen belang was getroffen, ook al hoeft hij de boete niet zelf te betalen. Dat zijn goede naam ook echt is getroffen, hoeft hij niet aan te tonen of te motiveren, de ‘reële mogelijkheid’ daartoe is voldoende voor belanghebbendheid.

Voor geïnteresseerden, hierbij de link naar de uitspraak.

Caroline Raat.

Plaats uw reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *