Photo: https://pixabay.com

Geen recht op privacy in de rechtspraak

23 mei 2019
Kennisbank

Caroline Raat

Op 15 mei 2019 bracht de Adviescommissie AVG van de Raad van State (hierna: commissie) een eerste advies uit, dat bij AVG-specialisten de wenkbrauwen zal doen fronsen. De vraag is of de Autoriteit Persoonsgegevens hierover niet had moeten oordelen. In dit artikel staat de juridische uitleg hiervan en zet ik uiteen dat dit advies kan leiden tot het standpunt dat alles dat in een gerechtsgebouw gebeurt, is uitgezonderd van de AVG. Dat zou dan betekenen dat betrokkenen hun AVG-rechten niet kunnen inroepen tegen de rechtspraak. Is faciliteren van journalistiek core business van de rechtspraak? De commissie schrijft dat het ter inzage geven van alle processtukken voor de pers behoort tot de core business van de rechtspraak. Dit omdat ieder gerecht een afdeling Communicatie heeft die het zich tot taak rekent om de journalistiek te faciliteren. Vanwege het hebben van een persrichtlijn schaart de rechtspraak het EVRM mensenrecht van de rechtzoekende op openbare rechtspraak onder de AVG-uitzonderingen.

Uiteraard is het goed dat de journalistiek wordt geïnformeerd door de rechtspraak. Maar dat is geen rechtvaardiging om dat tot het fundamentele recht van de rechtzoekende op openbare rechtspraak te rekenen, wat de commissie wel doet. De verdragen waarnaar de commissie verwijst, beschermen namelijk de openbaarheid van terechtzittingen in het belang van de rechtzoekende. En niet het belang van anderen, waaronder de rechtspraak zelf of de journalistiek.

De openbare terechtzitting is volgens de commissie niet voldoende voor de realisatie van het grondrecht van de rechtzoekende op een openbare zitting: “de enkele toegang tot de rechtszaal is niet steeds voldoende garantie voor openbaarheid.” En vanwege het recht van de rechtzoekende op een openbare mondelinge behandeling, moet de journalist volgens de commissie eenvoudig alle informatie kunnen verkrijgen. Terwijl de eerst aangewezen weg daarvoor uiteraard het benaderen van de partijen zelf is.

Hierdoor was de klacht van een gemachtigde dat zijn BSN (tevens BTW-nummer) ter inzage was, ongegrond. De gemachtigde had het nummer zelf op zijn briefpapier gezet en moet dus volgens de commissie niet zeuren. Dat dit melden van het BTW-nummer een wettelijke plicht is, lijken deze rechters niet te weten. Van identiteitsfraude lijkt men niet te hebben gehoord.

Twijfelachtig of de rechtspraak zelf de toezichtouder is

Het is twijfelachtig of de rechtspraak zelf de toezichthouder is voor deze taak en niet de Autoriteit Persoonsgegevens. Volgens de AVG zijn toezichthoudende autoriteiten namelijk niet bevoegd toe te zien “op verwerkingen door rechterlijke instanties bij de uitoefening van hun rechterlijke taken.” De vraag is wat het begrip ‘rechterlijke taak’ volgens de AVG betekent.

De commissie heeft voor het antwoord daarop niet gekeken naar wat volgens andere bepalingen in de AVG en UAvg tot de rechterlijke taak wordt gerekend, te weten de ‘rechtspraakbeperking’ op grond van art. 23 van de AVG en 41 van de UAvg (de ‘f-grond’). Deze bepaalt dat een aantal beginselen en alle AVG-rechten van betrokkenen (recht op inzage, wissen, rectificatie) niet van toepassing is. Als ik die bepalingen lees, concludeer ik dat:
• Niet alles wat zich in een gerechtelijke organisatie afspeelt, onder de gerechtelijke taak valt zoals de AVG en de UAvg die definieert;
• De ‘rechtspraakbeperking’ alleen is toegestaan op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van: (f) de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures.

Door hiermee geen rekening te houden, zet de commissie met haar zeer brede definitie van wat onder de rechterlijke taken wordt gerekend, de deur wagenwijd open naar een categorische uitzondering voor de gelding van de AVG bij de rechtspraak.

Volgens mij is dat alles wat een aantasting kan zijn van de fundamentele rechten van de betrokkene, wat niet noodzakelijk en onevenredig is in het kader van rechterlijke onafhankelijkheid en de gerechtelijke procedure, niet tot de rechterlijke taak behoort. De rechterlijke onafhankelijkheid is niet gebaat bij het opsturen van procesdossiers naar journalisten. Noodzakelijk is het al zeker niet. Het kan een aantasting zijn van de grondrechten van de betrokkene, namelijk zijn recht op privacy. Daar was de AVG nu juist voor bedoeld.

De auteur van dit artikel Mr. Dr. Caroline Raat is onafhankelijk auteur, onderzoeker en opleider op het gebied van staats- en bestuursrecht en bestuurswetenschap en tevens blogger op het Risk & Compliance Platform Europe.

 

Plaats uw reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *